ROB GRAAFLAND


De jaren 1875-1900

Robert Archibald Antonius Johan Graafland werd op 26 november 1875 te Maastricht geboren als tweede zoon van Jonkheer Johan Magdalenus Leo en Francisca Suzanna Geertruide Mols. De Graaflands waren oorspronkelijk uit Amsterdam afkomstig waar ze sinds 1600 tot de regentenfamilies hadden behoord. Johan Graafland was bankier-commissionair, maar bovenal heraldicus die het boek "Limburgsche Wapens" (1) illustreerde onder redactie van J. M. van der Venne. Toen Graafland op 15 januari 1925 overleed en zijn zoon Antoine, die het werk van zijn vader zou voortzetten, negen maanden later op 11 oktober eveneens overleed, nam de tekenaar L. Pilet het op zich om het boek af te maken. Johan Graafland schreef en tekende ook het boek "Encyclopédie Héraldique" / "Heraldische Encyclopedie" (2), zowel in het Frans als in het Nederlands, dat na zijn overlijden door A. Stalins voor de druk gereed werd gemaakt. Verder brandschilderde Graafland houten wapenborden waarbij gebruik werd gemaakt van brandstift en kleuren, zoals het grote Graafland wapenbord ter ere van het huwelijk van Rob Graafland met Maria Duquesne. De heraldicus en genealoog C. Pama schreef over Johan Graafland in zijn encyclopedisch vademecum "Heraldiek en Genealogie" (3): "Begaafd heraldisch tekenaar wiens wapens uitmunten zowel door heraldische juistheid als artistieke uitvoering". En in Pama's boek "Heraldiek" (4) zijn 91 heraldische afbeeldingen door Johan Graafland getekend, de twee omslag tekeningen inbegrepen; het merendeel van de overige 43 afbeeldingen zijn kleiner van uitvoering.

Op 4 november 1890, na de liquidatie van de bank, verhuisde de familie Graafland - drie meisjes en vijf jongens - naar Nieuwer Amstel, het huidige Amstelveen, en daarna naar Amsterdam waar Rob Graafland gelijktijdig de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers en de Quellinusschool doorliep. De laatste, een kunstnijverheidsschool, de latere Gerrit Rietveld Academie, was in 1879 door de bouwmeester Pierre Cuypers opgericht om jonge krachten op te leiden voor de bouw van het Rijksmuseum (decoratieschilders, tekenaars en beeldhouwers); het gaf een driejarige opleiding volgens middeleeuws model. De ouders van Rob Graafland wilden hem voor architect laten opleiden, en daarom werkte hij enige tijd op het atelier van Cuypers ten einde een opleiding in de architectuur te volgen. Maar Graafland voelde zich toch meer tot de schilderkunst aangetrokken, en nadat hij op verzoek van zijn ouders in 1895 de akte Middelbaar Onderwijs M1 tekenen had behaald liet hij zich aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam inschrijven, de enige inrichting voor hoger kunstonderwijs die Nederland rijk was. Zijn leermeesters waren Professor Augustus Allebé en Professor Carel L. Dake. In de avonduren deed Graafland gedurende de volgende jaren als leraar ervaring op aan een druk bezochte avondtekencursus aan de Prinsengracht die door zijn vriend en studiegenoot Gerrit Willem Knap, de latere kunstschilder, een jaar tevoren was opgericht.

Op 26 september 1898 solliciteerde Rob Graafland voor een open plaats aan het in dat jaar opgerichte Stadsteekeninstituut te Maastricht, en nadat hij op 7 november hieraan tot leraar M.O. tekenen was benoemd vestigde hij zich op 11 januari 1899 eerst in het centrum van Maastricht en op 28 december 1899 in Gronsveld, een dorpje niet ver van Maastricht. De andere twee docenten aan het Stadsteekeninstituut waren de Sittardse beeldhouwer Frans van der Laar en Willem Sprenger. Het Stadsteekeninstituut was gericht op een vakopleiding voor jonge arbeiders en ambachtslieden en ondergebracht in de voormalige Augustijnenkerk en het opende op 1 december 1898. Jos Schols schreef (5): "In het Augustijnengebouw waren acht lokalen beschikbaar. Er werd begonnen met 159 leerlingen vanaf twaalf jaar. De meeste scholieren oefenden een ambacht uit ....... Aan deze school waren drie afdelingen verbonden: handtekenen, technisch tekenen en boetseren. Elke afdeling telde vijf klassen." En: "Graafland onderwees niet alleen praktische vakken, maar bracht zijn leerlingen eveneens artistieke vaardigheden bij. Bij hem stond niet alleen het nut, doch ook de schoonheid centraal. Dit was iets nieuws op school." Graafland gaf les in Natuurtekenen en zijn jaarsalaris was f 650. De directeur van het Stadsteekeninstituut was Jacobus van Gils die in 1902 naar Rotterdam vertrok waar hij het volgende jaar overleed, zijn opvolger was A. van de Sandt. Maastricht was toendertijd een stadje van ongeveer 30.000 inwoners en nog steeds bijzonder geîsoleerd. De verbindingswegen met Sittard en Heerlen waren slechts zandweggetjes en het station bestond uit een houten gebouwtje. De gastram, die bij het bestijgen van de hellende Maasbrug door de passagiers moest worden voortgeduwd en bij de afdaling tegengehouden, maakte plaats voor de gemeentelijke paardentram. Op cultureel gebied werd Maastricht door slechts een enkeling vertegenwoordigd: de kunstschilders Theodoor Schaepkens (1810-1883), zijn broer Alexander Schaepkens (1815-1899) en Henri Goovaerts (1865-1912), de beeldhouwer Frans van der Laar (1853-1933), de dichter A. Franquinet (1826-1902) en de schrijver Fons Olterdissen (1863-1923).

In 1900 richtte Graafland zijn eerste atelier aan de Heksenhoek in, thans het gebouw van het huidige Natuurhistorisch Museum Maastricht, en in 1901 verplaatste hij het naar de Markt / hoek Spilstraat. Onder invloed van zijn academische vorming schilderde hij de eerstkomende jaren voornamelijk in Rembrandt-bruine kleuren, maar reeds onder zijn vroegste werken bevinden zich doeken die aanwijzen in welke richting hij zich uiteindelijk zou ontwikkelen, zoals "Romantisch landschap met figuren" (1901), "Picknick bij de rode auto" (1902) en "Maastricht" (1906), alle kleurrijke composities. Stillevens, bloemstukken en religieuze onderwerpen trokken Graafland niet aan. Het eerste heeft hij dan ook nooit geschilderd en het tweede een enkele keer, zoals een blauwe vaas met klaprozen. Ondanks dat Graafland de religieuze lesboekjes van Broeder Cyprianus illustreerde zijn er geen religieuze afbeeldingen van hem bekend, op één uitzondering na (voorzover bekend): deze religieuze aquarel

Het artistieke leven van Graafland had geen binding met politieke en maatschappelijke ontwikkelingen en werd er niet door beinvloed. Wel tekende hij een briefkaart met de ondertiteling "Steunt het wettig gezag voordat het te laat is" die in alle boekwinkels over het gehele land verkrijgbaar was, toen Troelstra in november 1918 de revolutie uitriep en België aanspraken op Nederlands-Limburg begon te maken. En ook zijn er enkele andere politieke tekeningen van hem bekend, doch nimmer heeft Graafland zijn politieke en maatschappelijke opinies in zijn schilderijen verwerkt.

Jean van der Voort schreef over Graafland (6): "Naast een sterk persoonlijke stempel, ligt over heel de reeks zijner doeken, in niet te miskennen schittering, de mooie weergave van een innige, dichterlijke ontroering, die elk stuk vormt tot een gedicht in kleuren." Graafland koos inderdaad soms een dichterlijk motief om deze in een schilderij tot uitdrukking te brengen. Van der Voort vervolgt: "Jonge Liefde (1918), is de dichterlijke uitbeelding van het vers van Gottfried Mann:

"De zon stond hoog, de lente zong door het lover,
De ganse wereld zong hun tegemoet,
Hij boog 't gelaat, al fluist'rend, tot haar over,
Naast 't kopje naast hem, rood van rozengloed..."

Poëzie en muziek oefenden een grote invloed op het leven van Graafland uit. Zijn geliefde onderwerp "Levensgang" was ontleend aan het oratorium de "Schöpfung" van Joseph Haydn. Het was ook dank zij het luisteren naar de "Schöpfung" dat Graafland na zijn langdurige ziekte opnieuw het palet opnam (7). Van der Voort: "Telkens als Graafland het edelste ter wereld, het menselijk wezen schildert, weet hij te vermijden, wat velen in het modern werk soms schokt, en uit de ruw geborstelde kleurenvlakken droomt, in doorvoelde fijnheid, het vergeestelijkt gelaat."

De Zondagsschilderschool voor Decoratieve Kunsten

Graafland ontpopte zich op het Stadsteekeninstituut als een bezielende leermeester. Mathias Kemp schreef over Graafland (8): "Zijn grote bekwaamheid en pedagogische kwaliteiten verwierven al spoedig hoge waardering". Het onderwijs van Graafland beperkte zich niet alleen tot de schilderkunst maar richtte zich ook op muziek en literatuur. Door hem leerden Pierre en Mathias Kemp de "Kleengedichten" van Guido Gezelle (8) kennen die van groot belang waren voor hun latere literaire ontwikkeling. Pierre Kemp herinnert zich van Graafland (9) "....... de brillante en bezielende aanvoering van Graafland". Pierre Kemp gebruikte voor zijn vroegste gedichten (1909-1913) het pseudoniem "Rob. Ree" (10), een nom de plume samengesteld uit de voornaam van Rob Graafland en de tweede noot van de toonladder. A. Gorissen schreef over het Stadsteekeninstituut (11): "Graafland bleek zijn leerlingen op dat vlak [moreel en intellectueel] uitstekend te kunnen scholen. Hij besteedde tijdens zijn lessen niet alleen aandacht aan tekenen en de schilderkunst, maar ook aan muziek en literatuur. Bovendien bracht hij zijn voor die tijd nogal libertijnse ideeën op een deel van zijn leerlingen over." Graafland was in zijn jeugd Christelijk opgevoed, desondanks vertoonde hij een grote vrijgeestigheid hierin en kon men hem een zekere anti-klerikale gezindheid niet ontzeggen. Volgens Mathias Kemp was hij een agnostist (12).

In 1901 richtte Rob Graafland in samenwerking met het Stadsteekeninstituut de Zondagsschilderschool voor Decoratieve Kunsten op. Graafland had in 1899 op eigen initiatief hiermee een begin gemaakt en vijftien leerlingen hadden zich reeds aangemeld die ieder f 0,25 per les wilden betalen. In november 1899 stelde hij dan ook voor tot het oprichten van deze Zondagsschildercursus voor begaafde leerlingen van het Stadsteekeninstituut. Zijn voorstellen werden op de vergadering van 30 november 1899 (13) door het Bestuur van het Stadsteekeninstituut besproken, maar men besloot hier niet op in te gaan. Als reden werd opgegeven dat als twaalf leerlingen van de vijftien dit lesgeld zouden betalen, de opbrengst niet voldoende zou zijn om de kosten te dekken (kennelijk vond Graafland dit geen bezwaar). Ook keurde het Bestuur af dat een cursus gegeven zou worden die een risico voor de leraar zou zijn zonder een bestaande officiële betrekking met het Bestuur van het Stadsteekeninstituut. Voor het organiseren van een Zondagsschildercursus door het Stadsteekeninstituut zelf was de tijd nog niet gekomen, aangezien van hogerhand besloten was dat een zodanige cursus voorlopig nog niet ter sprake kwam. Maar in 1901 werden Graaflands voorstellen gerealiseerd. Op de vergadering van 26 november 1901 (13) besloot het Bestuur tot het oprichten van een schildercursus die vanaf 1902 op zondagochtend van 09.00 uur tot 12.00 uur zou worden gegeven met Graafland als leraar; de lessen zouden plaatsvinden in de ....... van Graafland (onleesbaar in de slordig geschreven notulen). De officiële naam zou zijn de Zondagsschilderschool voor Decoratieve Kunsten.

Graaflands intuÏtie, aangescherpt door zijn ervaringen als leraar aan de avondschool te Amsterdam alsmede gedurende de afgelopen drie jaar op het Stadsteekeninstituut, maakte het voor hem mogelijk om de meest begaafde leerlingen voor deze schildercursus uit te kiezen. Onder hen bevonden zich o.a. Edmond Bellefroid, G. Boosten, Hermann Bopp, Jules Brouwers, P. Coenen, Guillaume Eberhard, Jean Grégoire, Charles Hollman, Hull, Han Jelinger, Henri Jonas, Mathias en Pierre Kemp, Victor Marres, Joep Narinx, Nicolaas, Jan en Josef Postmes, Vic Reynders, Harry Schoonbrood, Willy Schoonhoven van Beurden, Selinger en Charles Vos. Deze groep stond ook bekend als "De klas Graafland". Hoewel in de notulen van 26 november 1901 vermeld staat dat de lessen in de ....... van Graafland zouden worden gegeven, schilderde de klas eveneens in de Augustijnenkerk, en in de zomer trokken zij de natuur in om "en plein air" te schilderen. Vanaf 1911 zouden de lessen in de Italiaanse tuin van Graafland op Sint Pieter nabij Maastricht plaatsvinden. Een nieuwigheid van het impressionisme is dat de kunstenaars in de open lucht gaan schilderen in plaats van in een atelier zoals eeuwenlang gebruikelijk was. Men trekt de natuur in, men schildert "en plein air", in navolging van John Constable, en men legt op het doek de atmosfeer, ruimte, schaduw en het licht vast die invloed hebben op het uiterlijk van de natuur.

Monique Dickhaut schreef over de Zondagsschilderschool (14): "Graafland ontpopte zich als een enthousiast leermeester die hen niet alleen de technische en artistieke aspecten van de teken- en schilderkunst bijbracht, maar hen ook kennis liet maken met kunst en cultuur in de meest brede betekenis. Voor deze jonge mensen, waarvan de meeste afkomstig waren uit eenvoudige gezinnen, was deze inwijding in de wereld van kunst en cultuur door hun aristocratische leermeester ongetwijfeld een openbaring."

A. Gorissen schreef over de Zondagsschilderschool (15): "Graafland was voor zijn leerlingen vooral een bezieler, een inspirator. Hij was een leermeester die hen niet alleen bijbracht dat wit geen kleur was en dat je de wolken beter met citroencadmium kon schilderen, maar die hen opwekte tot grote prestaties. Hij wist uit iedereen te halen wat er in zat."

Mathias Kemp formuleerde zijn ervaringen met "De klas Graafland" als volgt (16): 'In ieder geval heb ik enkele jaren de "klas" meegemaakt en kan dus getuigen dat Graafland een bezielend leider was, die wist te ontdekken wat er aan begaafdheid in de leerlingen school. Graafland zelf was als schilder een man met talent, charmant en wat mondain van opvatting, van levensopvattig gematigd vrijzinnig, met een open blik ook voor andere kunsten, als literatuur. Op de literaire ontwikkeling van Pierre (en indirect van mij) had hij invloed, want zelf bewonderaar van de priester-dichter Guido Gezelle ....... bracht hij Pierre daarmee in kennis.' En ook: "Hier ontstond onder Graaflands bezielende leiding eigenlijk de Maastrichtse groep van hetgeen wel men de Limburgsche school noemt" (16). Hieraan moet worden toegevoegd dat Mathias Kemp niet zo goed met hem overweg kon, en in 1956 herinnerde hij zich Graafland als (A. Gorissen 16) "een fascinerende, soms charmante persoonlijkheid, die echter meer bewondering dan sympathie wist op te wekken ....... Dit [niet zo homogene] belette niet dat zijn grote gaven als leraar ongehinderd tot hun recht konden komen ....... Hij wist te bezielen ....... hij was immers meteen zelf een virtuoos meester. Kwam hij de werkstukken controleren, dan wist hij daarin steeds dit of dat met een rake streek of 'n pittige toets te verbeteren".

Huwelijk

Op 19 augustus 1902 trad Rob Graafland in het huwelijk met Maria Hubertina Leopoldina Isabella Duquesne, dochter van Tilman Joseph en Maria Johanna Louisa Hubertina Diederiks. Maria groeide op het landgoed van haar ouders op, de "Wittevrouwenhof" in Heer, maar op zevenjarige leeftijd kwamen haar ouders door een tragisch ongeluk om het leven. In zijn notities beschreef Charles Graafland zijn moeder als volgt: "Maria was een lieve verstandige en knappe verschijning. Zij heeft de depressies die Rob Graafland later in zijn leven had met moed weten te verwerken. Het was een gelukkig huwelijk." Een aantal portretten, opgezet in tedere en warme kleuren, getuigen van zijn woorden. Maria was een gastvrije dame, want leerlingen en vrienden die in en uit liepen werden altijd voorzien van koffie, taart en drank. Het echtpaar betrok tijdelijk een woning op Scharnerweg 93 te Amby, aan de rand van Maastricht. Vervolgens maakten ze een lange huwelijksreis door Italië waarvan de kunst, de architectuur, het klimaat en vooral Venetië Graafland overweldigden. Al deze indrukken zouden hem in hoge mate inspireren, zoals uit de doeken blijkt die hij tussen 1909 en 1919 schilderde, doeken met pure en vlammende kleuren.

Terug in Maastricht liet hij aan de Scharnerweg 98 in de gemeente Heer volgens eigen ontwerp een grote vrijstaande villa bouwen, Villa Aldegonda, waaraan hij veel geld en tijd besteedde (17). In het grote trappenhuis werden heraldische wapens van Graafland en Duquesne in het eikenhout gesneden en in de plafonds van het trappenhuis werden wapenschilden in pleisterwerk aangebracht. Het houtwerk van het interieur werd verfraaid met versieringsmotieven in Jugendstil stijl. De voordeur opende in een ruime hal met een mozaiek marmeren vloer van een bijzonder mooi decor. Boven elk van de drie eikenhouten kamerdeuren die in de hal uitkwamen werd een reliëf van de vier jaargetijden aangebracht. Tegen een wand zag men een heel groot reliëf van opvallende plaatselijke persoonlijkheden, waaronder Rob Graafland zelf. En op de achtergrond in deze ruime hal pronkte een meer dan mensengroot marmeren beeld, voorstellende een mijnwerker die met zijn voet en hamer het wetboek vertreedt; dit beeld was vervaardigd door Frans van der Laar en heette "De Jeker". Graaflands leerlingen maakten gobelins welke minitieus gekopieërd werden naar die uit het stadhuis van Maastricht. Zijn atelier bevond zich op de eerste verdieping en op het dak stond een vierkante toren met een puntdak. In deze schitterende woning kon Graafland zich naar hartelust aan zijn kunst overgeven. Hij trok zich terug in zijn atelier, gunde zich geen rust en zocht naar een stijl die hem voldoening schonk. Op 29 december 1903 werd een dochter, Suzanna, geboren.

Reis naar Amerika

In 1905 ondernam Graafland een reis naar Amerika. Hoe lang hij daar verbleef valt niet met zekerheid te zeggen, maar het zal enkele maanden zijn geweest. Drie prentbriefkaarten aan Wilhelmina Jelinger te Maastricht, zuster van de kunstschilder Han Jelinger, zijn respektievelijk gedateerd New York 4 juni 1905, New York 19 juni 1905 en New York 6 juli 1905. Waarom ging Graafland naar Amerika? Niemand weet het. Graafland zelf heeft er nooit over gesproken. Mevrouw Yvonne Graafland-Marres, schoondochter van Rob Graafland, zei hierover in een intervieuw met Ieneke Suidman (18): "Niemand heeft de motivatie voor die reis ooit begrepen", waarmee ze bedoelde dat niemand begreep waarom Graafland naar Amerika wilde gaan en niet naar bijv. Parijs of een andere Europese stad. De redenen die Graafland bewogen Amerika te bezoeken zullen een gevoel voor avontuur zijn geweest dat zich op Amerika richtte, gekombineerd met een sterke artistieke interesse; hij wilde zich oriënteren in de artistieke ontwikkeling aldaar. Dit was zeer ongebruikelijk aangezien andere Nederlandse kunstschilders voor hun artistieke ontwikkeling Parijs bezochten, zoals bijv. de kunstenaars van de Haagsche School.

Jammer genoeg is er over deze reis naar Amerika weinig bekend. Vaststaat dat Graafland met Amerikaanse kunstbroeders in Staten Island (New York) het veld introk om te schilderen en dat hij de Limburgse kunstschilder Hubert Vos op Long Island bezocht die in Amerika woonde, een neef van zijn leerling Charles Vos. Dat moet in april of mei 1905 zijn geweest, of zelfs vroeger, want op 5 juni 1905 werd Hubert Vos op het paleis te Beijing ontvangen waar hij twee portretten van de Chinese weduwe-keizerin Cixi schilderde; pas in 1906 keerde hij terug naar New York. Een studiegenoot van Graafland op de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers te Amsterdam, Antoon Molkenboer, woonde in Amerika van 1905-1910, maar Molkenboer studeerde op de Rijksnormaalschool van 1889-1892 en Graafland van 1892-1895, het is dus de vraag of ze elkaar gekend hebben, of ze vrienden waren, of ze in dat geval na dertien jaar nog kontakt met elkaar hadden en of Graafland op de hoogte was van zijn verblijf in Amerika. Molkenboer woonde trouwens slechts vijf maanden in New York, en aangezien Graafland na zijn reis het nooit over hem heeft gehad maar wel over Hubert Vos kan men aannemen dat de twee elkaar niet ontmoet hebben. Graafland slaagde er tijdens zijn reis in talrijke opdrachten voor schilderijen te krijgen. Ook bracht hij een bezoek aan een Indianenstam waar hij bij binnenkomst met de dood werd bedreigd. Pas nadat hij op papier, ten overstaan van de gehele stam, een snelle potloodtekening van het opperhoofd had gemaakt waarop deze trots en in vol ornaat stond afgebeeld, werd hij met rust gelaten en zelfs vriendelijk bejegend. Eenmaal terug in Maastricht schreef Graafland aan de bekende kunstcriticus Albert Plasschaert dolgelukkig te zijn dat hij in Limburg was teruggekeerd.

Het illustreren van les- en kinderboeken

Na zijn terugkomst in Maastricht werd op 27 januari 1906 op de bovenste verdieping van de vierkante toren van Villa Aldegonda een zoon geboren, Charles genaamd. Financiële omstandigheden noopten Graafland zijn huis aan de Scharnerweg te verkopen en naar België te verhuizen. Op 2 september 1907 vertrok de familie Graafland voor korte duur naar Luik en daarna naar het dorpje Wandre tussen Luik en Maastricht. Zijn woning was naast die van apotheker Dery aan de spoorlijn bij het station in de Rue du Village. In Wandre werkte Graafland voornamelijk jarenlang aan opdrachten, vooral aan de Amerikaanse opdrachten die vandaar naar Amerika verscheept werden, en iedere dag reisde hij per koets naar Maastricht om zijn lessen aan het Stadsteekeninstituut voort te zetten. Ook de lessen van de Zondagsschilderschool bleven doorgaan die een steeds grotere populariteit genoten. Aan enkele personen gaf hij privé onderwijs, zoals o.a. aan de broeders van het klooster de Beyard te Maastricht. Hierdoor kwam hij in kontakt met Broeder Cyprianus die zich geheel aan het onderwijs wijdde en wiens lesboekjes in het onderwijs over heel Nederland werden verspreid. Broeder Cyprianus Andreae schreef onder de pseudoniems A. Vincent en B. C. Kloostermans. Graafland begon illustraties voor deze boekjes te leveren en dat heeft hij zijn hele leven gedaan, zelfs toen hij ernstig ziek was, zoals o.a. "Zien en Zeggen", "Roomsch Kinderleven", "De Roomsche Jeugd", "Bijbelse Vehalen", "Het Katholieke Leven", "Gods Volk" en "Ons Voorbeeld". Met deze tekeningen had Graafland veel succes omdat ze tot de verbeelding van de kinderen spraken en hun nieuwsgierigheid prikkelden. De tekeningen voor de leerboekjes waren over het algemeen bedoeld als voorbeeld voor gedrag en houding van de leerlingen; opzet en uitvoering vonden hun wortels in pedagogische gronden. Daarenboven wist Graafland in zijn tekeningen de tekst van het lesje gestalte te geven waardoor de leerlingen de stof gemakkelijker in zich op konden nemen. "'t Gezichtsbeeld is uitgangspunt, in plaats van het gehoorbeeld" (24). Van "Zien en Zeggen" werden in 1917 ondanks de hoge kosten 19.000 exemplaren verkocht en van "Roomsch Kinderleven" in datzelfde jaar 17.000 exemplaren (24). Mathias Kemp noemde Graafland de eerste onder de beste illustratoren van de katholieke jeugdliteratuur. Behalve deze lesboekjes illustreerde Graafland ook kleuterboeken door T. Kiewiet, school-leesboeken zoals "Erik en Olle" door B.J. Douwes, talrijke leesboeken door andere schrijvers zoals o.a. "De zwarte vinger", "Stannie", "Indisch meisje", "Een kind van Java", en week- en maandbladen. In deze illustraties komen de figuurtjes van zijn echtgenote Maria, zijn twee kinderen Suzanna en Charles, Adrienne van der Boorn, Suzanna's vriendinnetje, en Marieke en Frans Ceulen die naast hen woonden, herhaaldelijk terug. Betreurenswaardig genoeg zijn veel originele tekeningen samen met schilderijen in de Tweede Wereldoorlog bij het bombardement op 's Hertogenbosch verloren gegaan.

Een van de leesboeken van Albertine Steenhoff-Smulders die Graafland llustreerde was "Een Kind van 1813" (vrij naverteld door Roel Helling). Op de foto beneden de omslagtekening van "Een Kind van 1813" poseren Rob Graafland, drie vrienden en zijn twee kinderen voor de achtergrond van deze tekening. Verkleedpartijen voor het illustreren van kinderboeken kwamen veelvuldig voor, zoals de andere drie foto's laten zien. Op deze foto's zijn vrienden en kinderen verkleed als figuren van "Een Kind van 1813" zodat Graafland schetsen voor zijn illustraties kon maken. Graafland had zoveel succes met zijn illustraties en kreeg zoveel opdrachten dat hij Edmond Bellefroid vroeg, een leerling van "De klas Graafland", om hem hierbij te helpen (12). Voorzover bekend illustreerde Graafland voor twee uitgeverijen: Malmberg in 's Hertogenbosch (katholieke lesboeken zoals o.a. "Zien en Zeggen", "Roomsch Kinderleven", "Gods Volk", "Ons Voorbeeld"; avonturenboeken voor de jeugd zoals o.a. "Om 'n schat", "Z'n eigen weg gebaand"), en de Spaarnestad in Haarlem (avonturenboeken voor de jeugd zoals o.a. "Een Kind van 1813", "Bij Oom in Indië").

De Italiaanse tuin op Sint Pieter

Op 21 maart 1911 verhuisde de familie Graafland van Wandre naar een grote huurwoning in de Groenstraat te Sint Pieter nabij Maastricht (vanaf 1920, Burgemeester Ceulenstraat 22). Het hoogtepunt van Graaflands scheppen en de gelukkigste periode van zijn leven waren thans aangebroken. Hij maakte zich los van de Rembrandt-bruine kleuren waarin hij tot nu toe voornamelijk geschilderd had - veel van zijn werken van de afgelopen tien jaar vernietigde hij - en hij ontwikkelde zijn eigen stijl, een romantisch impressionisme: fonkelende kleuren composities met een sterke romantische expressie die de schoonheid van het leven tot uitdrukking brengen, de mooie kant van het leven die de mens instinctief zoveel mogelijk probeert te ervaren. De visie van Graafland is die van de zon en het licht, de levensvreugde en de levensblijheid. Hij is een pure romanticus - hij laat het gevoel meespreken en neemt dit in zijn schilderijen op - een toegewijd impressionist, een colorist wiens composities uit dromerige en idyllische onderwerpen bestaan. Zijn kleurenensemble is vol weelde en schittering, men treft er zijn hartstocht voor frisse, vlammende kleuren in aan, en de keuze van zijn onderwerpen doet Italiaans aan, staat diametraal tegenover die van zijn Hollandse kunstbroeders. Hans Redeker schreef naar aanleiding van de Rob Graafland overzichtstentoonstelling in 1975 in het Cultureel Centrum te Venlo (19): "De tentoonstelling maakt het heel duidelijk, dat uit het oeuvre, dat Graafland in die jaren maakte, een beperkt ensemble van meesterwerken zou kunnen worden geselecteerd, maar waarmee hij dan ook volstrekt apart staat binnen de Hollandse schilderkunst van zijn tijd, of zelfs binnen de Europese".

Monique Dickhaut schreef over Graaflands eigen stijl (14): "De ontwikkeling die hij tussen 1908 en 1911 doormaakte was enorm. Leek hij in "De ijzergieterij" in 1907 nog bevreesd voor het gebruik van kleur, zijn "Rode auto" en "Kinderen in de wei" zijn ware explosies van kleur. De voorstellingen zijn opgebouwd uit blokvormige verftoetsen in felle kleuren, waarbij voor- en achtergrond als gelijkwaardig werden opgevat, een wijze van schilderen zoals men die kende van de divisionist Paul Signac..... Het werk van Graafland blijft echter altijd comfortabel: de onderwerpen zijn ontleend aan de realiteit, het koloriet is stralend en vrolijk....."

Sint Pieter was in die tijd omgeven door eenzame velden die uitliepen op de glooÏende hellingen van de Sint Pietersberg. Achter zijn statige woning liet Graafland volgens eigen ontwerp een uitgestrekte, uit terrassen bestaande Italiaanse tuin aanleggen. Twee levensgrote gehurkte witte stenen leeuwen op zuilen, gebeeldhouwd door zijn vriend de beeldhouwer Frans van der Laar, gaven toegang tot de tuin. Tussen eiken, appelbomen, sparren, seringbomen en bloemperken slingerden zandpaadjes langs vazen, zuilen, beelden en sierlijke smeedijzeren banken. Ook waren er enkele fonteinen waarvan de grootste beeldengroep door Frans van der Laar gebeeldhouwd was. En dan was er nog in het midden van het laagste terras een vijver, bewaakt door vier levensgrote gehurkte witte stenen leeuwen op zuilen. Uitbundige feesten werden in deze tuin gehouden, zoals de gondelfeesten waarbij de feestvierders zingend en lachend in gondels op het water ronddobberden; de gondels had Graafland volgens Venetiaans ontwerp laten maken. Deze Italiaanse tuin is in vele van zijn werken tussen 1911 en 1919 terug te vinden. De lessen van de Zondagsschilderschool vonden van nu af aan in deze tuin plaats. Graafland zelf schilderde dag en nacht. Zijn zoon Charles beschreef in zijn notities hoe zijn vader te werk ging. Graafland schilderde een schilderij dikwijls in één dag, maar hij kon er ook maanden of jaren over doen. Zijn geliefkoosde gewoonte om een schilderij af te maken waar hij lange tijd niet naar had omgekeken, was om rond drie uur 's ochtends uit bed te stappen, het betreffende doek op de ezel in zijn atelier te zetten en hard te werken. Tegen zonsopgang was het schilderij voltooid.

Frits Goovaerts, de zoon van de kunstschilder Henri Goovaerts, beschreef de Italiaanse tuin als volgt (20): "Vaak zie ik de Maasvallei voor me en de akkers van de boertjes op Sint Pieter, zoals dat vroeger was. Aan Charles liet ik al weten hoe jullie tuin me nog helder voor de geest staat. Die verdroomde sfeer van een nazomerdag, toen de zoetappels in het fonteintje dreven, terwijl de witte leeuwen mediterend voor zich uitkeken en het gedreun van een binnenkomende oogstwagen over de schuur van de burgemeester tot je doordrong. Het was toen nog zo onbedorven stil zonder straaljagerlawaai en bromfietsen. Wat wisten wij bovendien hoe onfris het in de wereld kan zijn. Het was een korte maar zeer mooie tijd."

Bennie Ceulen, de kleinzoon van Léon Ceulen, de laatste burgemeester van de gemeente Sint Pieter en buurman van Rob Graafland, schreef over de Italiaanse tuin (21): “...... en ben al sinds mijn jeugd idolaat van uw grootvader Robert Graafland. Dat kan ik toeschrijven aan de lyrische verhalen van mijn vader Frans Ceulen over de schilder Robert Graafland en zijn prachtige Italiaanse tuin. Mijn vader en zijn zusje Marieke poseerden in hun kindertijd geregeld voor uw grootvaders illustraties voor schoolboekjes. Vandaar. Hij vertelde dan ook over uw grootmoeder, maar ook uw vader Charles en uw tante Suze, die hij heel goed gekend heeft, en kind aan huis waren op de boerderij van mijn opa ....... Uw grootvader bracht in zijn prachtige woning zijn topjaren als schilder door.”

Charles haalde deze tuin in een toespraak aan tijdens een diner voor zijn zuster (22): "In het midden van een ronde vijver stond een beeldengroep, om de vijver stonden geflankeerd vier massief gebeeldhouwde leeuwen op ware grootte, trots en grimmig als strenge wachters. Het water weerkaatste de stralen van de zon en vormde als het ware miljoenen flonkerende edelsteentjes ....... In de verte hoorde ik de basstem zingen van Joseph Joosten, begeleid door piano en gitaar; door de ijzeren poort van de tuin kwamen de leerlingen binnen van de kunstacademie om je te schilderen onder de bloembollenboom ....... Ik liep het huis uit en buiten op de weg bleef ik versteld staan. Voor me op een levensgroot paard zat Napoleon, zijn hand in zijn vest zoals hij altijd deed, en naast hem een meisje dat gekleed was in een lange gele jurk met veel kant en een brede luifelhoed op haar hoofd; gouden krullen vielen over haar schouders. Ze zag er lief maar verschrikt uit. Toen zag ik dat jij 't was, Suze. Ik keek de andere kant van de weg op en begreep de ontsteltenis, want daar kwamen boeren aan met lansen, hooivorken en zeisen die steeds 'revolutie' schreeuwden. 'Suze', riep ik, 'wat betekent dit allemaal?' 'Stil', zei jij toen, 'we spelen het kind van 1813. Pake staat te tekenen op het balkon.' Ik keek naar boven en waarachtig, Pake tekende op verschillende vellen papier schetsen om de situaties zo vlug mogelijk vast te leggen."

Andere kunstenaars verzamelden zich rond Graafland, zoals de kunstschilders Henri Goovaerts, Herman Gouwe, Chris Hammes en Willem van Konijnenburg; Henri Hermans, dirigent van het Maastrichter Stedelijk Orkest; en de operazanger Joseph Joosten, bariton, zanger van de opera's te Lyon, Dijon, Antwerpen en Luik. Bij Graafland op Sint Pieter werd 's avonds door de week en 's zondags hartstochtelijk gediscussieërd en enthousiaste muziekavonden gehouden. Het harmonium werd dan onder de appelboom geplaatst, en Henri Hermans begeleidde Joseph Joosten die een aria uit de Faust zong ten overstaan van genietende vrienden en leerlingen; Charles Hollman speelde cello; en Graafland zong met zijn tenorstem dikwijls liederen uit de "Schöpfung" van Haydn en droeg gedichten van Schubert voor. Graafland was zeer gesteld op muziek. Tijdens het schilderen speelde een pianola waarvoor elke week nieuwe rollen van klassieke componisten werden bezorgd; Bach, Beethoven, Mozart, Tschaikowsky en in het bijzonder Haydn hadden zijn voorkeur. Behalve bij Graafland waren er nog twee andere plaatsen waar vrienden en leerlingen samenkwamen: op het atelier van Henri Jonas eveneens op zondagavond, en in Café Suisse op het Vrijthof te Maastricht waar ze bekend stonden als "De bende van de Suisse".

Herman Gouwe, afkomstig uit Alkmaar, schreef in zijn niet-gepubliceerde autobiografie dat hij Limburg voor de eerste keer in zijn academietijd bezocht toen hij tijdens een vakantie in Gulpen werkte (p. 18). Enkele jaren later keerde hij terug naar Gulpen en ontmoette Graafland in Maastricht, zijn tijdgenoot en mede-student van de Academie die hem bij zijn vrienden in Café Suisse introduceerde (p. 19). In het voorjaar 1911 logeerde Gouwe bij afspraak bij de familie Graafland en werd hij lid van de Limburgsche Kunstkring (p. 19 en p. 20). Daarna logeerde hij in de zomermaanden dikwijls bij Graafland waar hij zijn pied-à-terre had. Charles Graafland schreef in zijn notities dat Gouwe jarenlang bij zijn ouders had gelogeerd en dat de "bagage" die Gouwe voor zijn verblijf vooruit zond uit een klein pakje bestond dat een lucifersdoosje met kam, tandpasta en tandenborstel bevatte. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog logeerde Gouwe tot februari of maart 1916 bij Graafland. Daarna, in maart 1916, vertrok hij met het stoomschip "Tubantia" via Londen naar Portugal waar hij nooit is aangekomen. Want in de nacht van 15 op 16 maart werd het schip in Het Kanaal getorpedeerd, maar de in sloepen rondzwalkende schipbreukelingen werden in de vroege ochtend door boten gered (p. 21). Vele jaren later herinnerde Charles zich hoe tijdens de Eerste Wereldoorlog hij, zijn vader en Gouwe samen op een heuvel dichtbij Maastricht naar de bombardementen in België gingen kijken. Gouwe schreef over Graafland in zijn niet-gepubliceerde autobiografie: "Hij woonde in een groot en mooi huis aan de buitenkant van Maastricht op Sint Pieter. Hij was erg populair en hij had een luchtige philosofische trek in zijn karakter en zijn schilderijen straalden vreugde uit" (p. 20). Gouwe woonde vanaf 1927 in Tahiti, en in zijn niet-gepubliceerde autobiografie schreef hij over zijn ontmoeting met mevrouw Suzanna Twaalfhoven-Graafland bij zijn eerste en laatste bezoek aan Nederland in 1959: "Ik had mevrouw Twaalfhoven gekend vanaf haar prille jeugd want zij was de dochter van mijn vriend en collega Graafland te Maastricht bij wie vroeger altijd mijn pied-à-terre was als ik in de zomer naar Limburg kwam" (p. 79). En: "Aan de wand [bij Twaalfhoven-Graafland] hing een groot schilderij 'Ploegende Paarden' dat had ik vroeger eens voor mijn vriend Graafland gemaakt" (p. 80) (een dank-je-wel voor de 1 1/2 jaar lange logeerpartij). Herman Gouwe en Suzanna Graafland voerden een briefwisseling met elkaar tot aan Gouwe's dood in 1965, en Gouwe stuurde haar regelmatig kratten met schilderijen uit Tahiti waarmee Suzanna in zijn naam tentoonstellingen in Nederland organiseerde (23).

Het persoonlijke leven van Graafland

Het huwelijk van Rob en Maria was een gelukkig huwelijk en Rob was een vrolijke vader die veel tijd aan zijn kinderen besteedde. Suzanna en Charles hadden een bijzonder prettige jeugd, hun ouders deden veel voor hen. Graafland had een houten huisje in zijn Italiaanse tuin laten bouwen waar de kinderen met hun vriendjes en vriendinnetjes konden spelen en waar ze, zoals Charles in zijn notities vermeldde, "dolle pret" hadden, vooral als het regende. Hun buurman, Léon Ceulen, was de laatste burgemeester van Sint Pieter die met zijn familie op de boerderij De Winhof woonde waar Suzanna en Charles zich kostelijk vermaakten. Als Graafland illustraties voor een kinderboek nodig had, organiseerde hij dikwijls verkleedpartijen zodat hij sketches op papier kon maken terwijl zijn modellen een bepaalde scene speelden, en Suzanna en Charles waren dol op verkleedpartijen en acteren. Tijdens de weken vóór Sinterklaas organiseerden Rob en Maria allerlei leuke evenementen. Graafland ruilde schilderijen voor dozen wijn en ook voor geweren en Charles, zo jong als hij was, bezat een grote collectie geweren waaronder een olifantengeweer (allemaal door de Duitsers in 1940 geconfisceerd). Charles en zijn vriendjes mochten in een hoek van de Italiaanse tuin op doelen schieten die vóór een schutting werden geplaatst. Suzanna poseerde regelmatig met of zonder een vriendinnetje voor de Zondagsschilderschool en kreeg van tijd tot tijd een doos bonbons of pralines van de leerlingen aangeboden. Ook Charles poseerde soms en voor iedere keer kreeg hij één cent (voor drie centen kon hij een kleine reep chocola kopen). Flip, de hond, begeleidde Suzanna en Charles elke dag naar Maastricht, en nadat hij ze bij hun school had afgeleverd haalde hij Graaflands krant bij een winkel op en draafde vrolijk terug naar huis met de krant tussen zijn tanden geklemd. En op 18 september 1919 mochten Suzanna en Charles met de Franse piloot Duchereux in zijn vliegtuig opstijgen, een model waarvan de lange dubbele vleugels met stangen aan elkaar vastzaten. Nadat ze een hoge ladder opgeklommen waren, propten zij zich alle drie in een nauwe open cockpit en Duchereux vloog een kwartier lang boven Maastricht en omgeving, tot grote opwinding en hilariteit van de kinderen die het verrukkelijk vonden.

Tentoonstellingen

Rob Graafland begon voor het eerst te exposeren op 29 oktober 1908 in de Larensche Kunsthandel te Amsterdam. De reden voor deze lokatie was dat hij zich niet alleen tot Maastricht wilde beperken. In 1911 schreef hij aan de bekende kunstcriticus Albert Plasschaert dat hij in het zuiden tien jaar volkomen geisoleerd had gezeten en: "Al mijn werk vernietigde ik totdat ik moest exposeren, dat is ongeveer twee jaar geleden". Wel werden er op zijn ateliers doeken verkocht. Het schilderij "Le cygne méchant" dat in 1908 in de Larensche Kunsthandel werd tentoongesteld, imponeerde de jury van de schildersvereniging Sint-Lucas te Amsterdam dusdanig dat zij Graafland in 1909 uitnodigden om lid van hun vereniging te worden (24).

Graafland exposeerde voor de eerste keer met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum te Amsterdam van 11 april tot 16 mei 1909; zijn bijdragen waren o.a. "Picknick" en "Le cygne méchant". Op deze tentoonstelling introduceerde hij Guillaume Eberhard bij Sint-Lucas (24). Enkele mede-exposanten waren: Leo Gestel, J. H. Jurres, Gerrit Willem Knap (een vriend van Graafland), Piet Mondriaan, Martin Monnickendam en Jan Sluyters. De kritieken over Graafland waren zeer gunstig. Professor Dake, Graaflands leermeester aan de Rijksacademie te Amsterdam, schreef over hem: "Het grote schilderij 'Picknick' is werkelijk van buitengewoon talent en een revelatie voor mij, die de schilder enkele jaren geleden onderwijs gaf".

Het jaar daarop, van 24 april 1910 tot begin juni, nam Graafland opnieuw deel aan een tentoonstelling met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum, ditmaal met "Picknick", "Japanse Parasol" en "Mijmering". Onder de mede-exposanten bevonden zich Leo Gestel, Herman Gouwe, Ferdinand Hart Nibbrig, J. H. Jurres, Gerrit Willem Knap, Piet Mondriaan, Martin Monnickendam en Jan Sluyters.

In 1911 nam Graafland deel aan twee tenstoonstellingen met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum te Amsterdam. De eerste tentoonstelling werd gehouden van 30 april tot 11 juni en Graafland exposeerde met "Chanson d'autrefois", "Idylle", "Le jardin du chateau", "Lente en liefde" en "Rode auto". Vooral "Rode auto" trok vanwege de weelde van kleuren emorme belangstelling. Het tijdschrift "De Kunst" vond "Rode auto" een prachtig brokje kleur. Een onbekend dagblad schreef: "Robert Graafland streeft Monticelli na. Evenals die beroemde meester van sappige fantastische kleuren maakt hij mooie roden, blauwen en groenen en weeft daartussen warme tonen". Ook "De Telegraaf" trok een vergelijking tussen Graafland en Monticelli. Het feit dat een auto werd afgebeeld was op zich al opmerkelijk. Enkele mede-exposanten waren: Leo Gestel, Herman Gouwe, Chris Hammes (uit Maastricht), Ferdinand Hart Nibbrig, Gerrit Willem Knap, Martin Monnickendam en Jan Sluyters. De tweede tentoonstelling vond zes maanden later plaats van 17 december 1911 tot 16 januari 1912. Graaflands bijdragen waren "Kindje" (pastelschets), "Herinnering Versailles" (pastelschets), Borduurster (pastelschets) en "Studie voor schilderij" (rood-krijttekening). Ook o.a. Guillaume Eberhard, Leo Gestel, Herman Gouwe, Chris Hammes, Martin Monnickendam en Jan Sluyters waren weer aanwezig.

Een van de leerlingen die op het Stadsteekeninstituut de aandacht van Graafland trok was Henri Jonas, een jongeman die op een fabriek werkzaam was. Graafland herkende zijn bijzonder talent en nam hem in zijn Zondagsschilderschool op. Nadat Graafland zich op Villa Aldegonda had gevestigd, nodigde hij Jonas en zijn vrouw uit bij hem in huis te komen wonen opdat hij hem een speciale opleiding kon geven. Daartoe richtte hij een atelier voor Jonas in. De karakters van beide mannen botsten echter en niet lang daarna betrokken Jonas en zijn vrouw een eigen woning in Maastricht. Maar de opleiding van Jonas door Graafland werd hierdoor niet in gevaar gebracht.

Graafland introduceerde Jonas voor de eerste keer bij Sint-Lucas op de tentoonstelling van 21 december 1913 tot 21 januari 1914 in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Eberhard nam eveneens deel en Graafland verscheen met vijf werken; het aantal bijdragen van Jonas en Eberhard is niet bekend. De tweede keer dat Jonas samen met Graafland met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum exposeerde was van 3 mei tot 9 juni 1914; Graafland bracht slechts één schilderij: "Meisjes in de zon". De tweede keer dat Graafland, Jonas en Eberhard samen met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum exposeerden vond plaats op de tentoonstelling van december 1915 tot januari 1916; Graafland exposeerde met zeven werken. Jonas trok ieders belangstelling met een reusachtig doek, "Trajectum ad Mosam", dat hij na afloop van de tentoonstelling aan Graafland schonk zonder wie hij, zoals hijzelf later in zijn leven erkende, op het gebied van de schilderkunst niet zou hebben bestaan.

In april 1917 exposeerde Graafland op de eerste tentoonstelling van de Nederlandsche Kunstkring te ‘s Gravenhage (24). Andere deelnemers waren o.a. A. H. Gouwe en W. Maris.

Datzelfde jaar, 1917, vertrok Henri Jonas naar Amsterdam om aan de Rijksakademie te gaan studeren. Graafland was erin geslaagd van de stad Maastricht een stipendium voor hem te krijgen.

In 1918 exposeerde Graafland met de Limburgsche Kunstkring in Maastricht (24). De Limburger koerier van 19 december 1918 schreef dat twee Maastrichtenaren een voorname plaats innamen: Rob Graafland en Guillaume Eberhard. Graafland bracht "Ontluiking" en "Sprookje". "Sprookje" was een deel van een tryptiek, met "Legende" de andere vleugel en "de Waarheid" het middenstuk. Het gegeven van het laatste zou gebouwd worden op oorlogsherinneringen, een ongebruikelijk thema voor Graafland. Het werk was op dat moment in voorbereiding.

Behalve lid van Sint-Lucas was Graafland van 1907-1913 ook lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae te Amsterdam. Maar hij nam slechts aan één tentoonstelling deel, namelijk in april / mei 1909 aan de tentoonstelling van kunstwerken vervaardigd door leden der maatschappij. Hij exposeerde met het werk "Secrèt de Fleurs" (25).

Het verzenden van schilderijen naar tentoonstellingen leverde in die tijd grote problemen op aangezien er geen snelle en veilige verbinding bestond tussen het afgelegen zuiden en het noorden. Graafland loste deze op door zijn werken in grote houten kratten te verpakken en per Janssen's boten naar Amsterdam te verschepen.

Mathias Kemp, een leerling van "De klas Graafland", schreef in het voorwoord van de catalogus voor de Rob Graafland tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum te Maastricht (26): "Hij is een der eerste Limburgers waarmee het zo verwende Noorden des lands kan kennis maken en hij is er begroet als 'schilder der zonnigheid'.

De Limburgsche Kunstkring

Sint-Lucas zal Graafland geinspireerd hebben tot het oprichten van de Limburgsche Kunstkring, een officiëel trefcentrum van kunstenaars die elkaar zouden inspireren, Limburg in het noorden vertegenwoordigen en talenvolle jongeren opvangen, met andere woorden, verzekeren dat het jonge kunstenaarschap in Maastricht niet alleen vaste voet zou krijgen maar ook wortel zou schieten. Mathias Kemp schreef in zijn "In Memoriam Rob Graafland" (27) (zie beneden) dat Graafland als de oprichter van de Limburgsche Kunstkring kan worden beschouwd, en H. J. H. Schurgers stelde vast in "Waar de brede stroom der Maas..." (27) dat Graafland het initiatief heeft gehad om de Limburgsche Kunstkring te stichten. (Schurgers maakte in zijn kort artikel vijf kleine vergisssingen, zie voetnoot.) In 1910 kwam de Limburgsche Kunstkring tot stand samen met Jan Bakhoven, Guillaume Eberhard, Rob Graafland, Henri Jonas, Johannes van der Kooij, Jos Narinx en Vic Reinders. Herman Gouwe werd lid in 1911, zoals hij in zijn niet-gepubliceerde autobiografie schreef. Graafland werd voorzitter en de eerste tentoonstelling vond plaats op 5 maart van dat jaar in de Dominicanenkerk te Maastricht. Ongeveer tweehonderd schilder- en beeldhouwwerken van negen leden der vereniging werden bijeen gebracht: Herman Bopp, Jules Brouwers, Guillaume Eberhard, Henri Goovaerts, Robert Graafland, W. A. van Konijnenburg (die tijdelijk in Meersen woonde), Reymans, G. Windt, en beeldhouwwerk door Frans van der Laar. Graafland exposeerde met een vijftigtal schilderijen waaronder "Picknick", "Japanse parasol" en "Mijmering". Ook kwam hij met pentekeningen en een aquarel "Brug" voor de dag. Door hun prachtige kleuren en hun romantische inhoud stonden de schilderijen in het middelpunt van de belangstelling.

Rob Graafland was eveneens voorzitter van de afdeling Beeldende Kunsten der Sociëteit Momus te Maastricht (24).

Onderscheidingen

In 1912 viel Graafland een grote onderscheiding ten deel. Uitgenodigd voor deelname aan de Exposition Internationale Musée Municipale in het Stedelijk Museum te Amsterdam die van 13 april tot juli werd gehouden, werd hem de Bronzen Medaille van de Stad Amsterdam voor zijn schilderij "Lezend meisje" ("Liseuse") toegekend. Korte tijd later waren briefkaarten van dit schilderij bij boekhandels over het gehele land verkrijgbaar. De expositie was groots opgezet met olieverfschilderijen uit Nederland en 16 andere landen, waaronder België (30), Duitsland (61), Engeland (44), Frankrijk (80), Hongarije (42) en Italië (53); beeldhouwkunst uit 13 landen (inclusief Nederland); aquarellen en pastels uit 14 landen (inclusief Nederland), en prenten en tekeningen eveneens uit 14 landen (inclusief Nederland). Enkele Nederlandse mede-exposanten van de olieverfschilderijen waren prof. Carel L. Dake (Rob Graaflands leermeester op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam), Isaac Israels, J. H. Jurres, Gerrit Willem Knap, H. W. Mesdag, Martin Monnickendam, Ferdinand Hart Nibbrig en Jan Sluyters. Geintrigeerd door Graaflands inzendingen, professor C. L. Dake en twee hoogleraren van de Amsterdamse academie, P. H. van Moerkerken en J. H. Jurrus, reisden speciaal naar Maastricht om zich op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de beeldende kunsten aldaar. Een warm welkom wachtte hen bij Graafland.

In september 1916 nam Graafland op uitnodiging deel aan een tentoonstelling van de 's Hertogenbosche Kunstkring. Voor zijn twee bijdragen "Levensvreugde" en "Meisjes in de zon" werd hem de Gouden Medaille toegekend, uitgeloofd door de burgemeester van 's Hertogenbosch die hij uit handen van H.M. Koningin Wilhelmina mocht ontvangen. "Levensvreugde" kreeg een ereplaats in de zaal vanwege de aantrekkelijke originaliteit en fijne kleurenweelde. De Provinciale NoordBrabantsche en 's Hertogenbossche courant schreef op 9 september 1916 (24): "Rob Graafland brengt met "Levensvreugde" en "Meisjes in de Zon", maar zeker met het eerste zijn bekorende romantiek. Als dingen van kostbaar bezit heeft de schilder de fijn getoetste kopjes in de zware verf gevat, hetgeen iets afzonderljks geeft aan het blanke vleesch. Zijn beste inzending is "Levensvreugde". Dolf van Engelen, de sekretaris van de 's Hertogenbosche Kunstkring, telegrafeerde Graafland op 1 september om hem met deze onderscheiding te feliciteren, waarna het nieuws zich als een lopend vuurtje door Sint Pieter en Maastricht verspreidde. Diezelfde avond verzamelde zich een grote menigte bewonderaars voor Graaflands huis en bracht de fanfare van Sint Pieter hem een uitbundige serenade in zijn tuin. Charles herinnerde zich met veel plezier hoe zijn vader na de serenade alle aanwezigen, fanfare en bewonderaars, in zijn huis uitnodigde om dit gedenkwaardige feit met enkele borrels te komen vieren en hoe hij, Charles, elf jaar oud, de volgende ochted alle lege flessen in huis en tuin mocht oprapen, bij de winkels inleveren en het statiegeld houden.

Tegenslagen en depressies

Robert Graafland had thans het hoogtepunt van zijn carrière bereikt. Als leraar had hij begaafde leerlingen opgeleid en bij Sint-Lucas in Amsterdam geintroduceerd waar hun schilderijen op exposities werden tentoongesteld. Als kunstschilder werd hij erkend en bewonderd, zijn schilderijen brachten hem roem in zowel Limburg als Holland. Hiernaast vond hij vreugde in zijn huwelijk en zijn gezin. Zijn hele leven had hij zich toegewijd aan zijn kunst en zijn leerlingen; zijn werklust die hem al deze jaren opwaarts had gestuwd scheen onuitputtelijk te zijn. Maar plotseling, volkomen onverwacht, kwam er een eind aan dit alles.

Graafland ondervond zware tegenslag op financieël gebied. Enkele jaren vóór 1914 had hij in het Duitse Keizerrijk een levensverzekering van 20.000 goudmark afgesloten die, toen Duitsland in 1918 in elkaar stortte, waardeloos werden. Een investering in mergel-exploitatie liep op niets uit. En ook ging zijn gezondheid achteruit. De eerste symptomen van een naderende depressie begonnen zich te openbaren en ondermijnden zijn scheppingsdrift. Hij begon aan depressies te lijden die steeds veelvuldiger optraden en hem het schilderen onmogelijk maakten. Er braken dagen aan dat hij fysiek niet meer in staat was te werken, en die dagen groeiden uit tot maanden, jaren. Langzaam en onafwendbaar werd hij met het verstrijken der jaren zeer ernstig ziek. Tegelijkertijd vonden in het culturele leven van Maastricht ingrijpende veranderingen plaats. "De klas Graafland" was opgegroeid en zijn leerlingen gingen hun eigen weg, wat Graafland altijd had aangemoedigd. Sommige leerlingen en ook sommige vrienden van de Limburgsche Kunstkring vertrokken uit Maastricht. Het Stadsteekeninstituut was in de periode 1914-1918 in verval geraakt. Duitse en Belgische militairen werden in de Augustijnenkerk verpleegd en er was geen ruimte voor leerlingen van het Stadsteekeninstituut. Een andere tekenschool, de Patronaatsteekenschool, gesticht in 1893 door kapelaan Rutten en de literator Fons Olterdissen, oefende thans een grotere aantrekkingskracht uit op de arbeidende jeugd. Op 4 september 1918 vroeg Graafland ziekteverlof aan, wat hem op 17 september door B. en W. werd verleend. Een jaar later, op 22 september 1919, na een keuring van de Pensioenraad, werd hem door B. en W. eervol ontslag verleend en kreeg hij een pensioen; hij was vierenveertig jaar oud. De Zondagsschilderschool in zijn Italiaanse tuin hield op te bestaan. Het kwakkelende Stadsteekeninstituut nam snel in betekenis af en werd op 1 oktober 1926 omgezet in de Kunstnijverheidsschool met Joseph Postmes als eerste directeur. Acht jaar later overleed Postmes en A.J.J. Scheffers werd zijn opvolger. Het Tekenonderwijs van het Stadsteekeninstituut ging over naar de Patronaatsteekenschool.

Enkele tentoonstellingen

Al was Graafland niet langer in staat te schilderen, toch nam hij nog aan verschillende tentoonstellingen deel.

In 1920 werd hij door de vereniging Nederland in den Vreemde, via het Stedelijk Museum te Amsterdam, uitgenodigd deel te nemen aan een expositie in Brighton, Engeland. Graafland stuurde "Young Love" and "Joy of Life". UIt het historisch overzicht van de vereniging in 1953 blijkt dat deze tentoonstelling achtereenvolgens in Blackpool, Bradford, Sunderland en Londen is geweest.

Van 27 december 1920 tot en met 7 januari 1921 nam Graafland in de sociëteit Momus te Maastricht deel aan een tentoonstelling van de Limburgsche Kunstkring (24). Het werk dat hij bracht was "Meisje op divan".

En in december 1922 hield de 's Hertogenbosche Kunstkring een grote tentoonstelling waarvoor ook Graafland werd uitgenodigd. Honderdzestig inzendingen uit het zuiden gaven een beeld van de toenmalige ontwikkeling der beeldende kunsten in Brabant en Limburg. Dit was voorlopig de laatste tentoonstelling waaraan Graafland deelnam. Pas dertien jaar later, in juli 1935, zou hij daartoe weer in staat zijn.

Andere aktiviteiten

Graafland ondervond eveneens tegenslag met zijn woning die hij van Guillaume Ceulen huurde, de broer van Léon Ceulen, Graaflands buurman (28). Toen Guillaumes echtgenote op jonge leeftijd overleed, verkocht hij zijn boerderij in Sluizen (vlakbij Tongeren) en wilde weer op Sint Pieter in het huis van Graafland gaan wonen. Deze moest derhalve een nieuwe woning gaan zoeken. Op 29 augustus 1922 verhuisde de familie Graafland tot hun leedwezen van Sint Pieter naar Sint Servaasklooster 23 te Maastricht, een woning naast het Staargebouw. Dit keer richtte Graafland geen atelier in; zijn palet, ezel en schildersmateriaal bleven onaangeroerd. Vanuit zijn studeerkamer had hij uitzicht op het Hendrik van Veldekeplein, de Sint Janskerk met zijn Gothische toren en het portaal van de Sint Servaaskerk. Er was geen tuin. In zijn kamers getuigden talloze schilderijen van zijn jaren van scheppen en onderwijzen. Een ongewilde periode van stilstand op het gebied van de schilderkunst was aangebroken die tot 1934 zou duren. De verschijnselen van Graaflands ziekte konden toendertijd niet door de medische wetenschap worden opgelost. Hoewel hij zich tot verschillende artsen wendde, kon geen van hen hem daadwerkelijk helpen. Naarmate de jaren verstreken nam de depressie zelfs in hevigheid toe. Ondanks deze verlammende periode legde Graafland zich niet zonder meer bij de stand van zaken neer. Al maakte zijn ziekte hem het schilderen onmogelijk, toch deed hij zijn best om zijn geest op andere zaken te richten.

Zo werd hij tekenleraar aan de R.K. Huishoudschool Wijckerveld te Maastricht waar hij veel aandacht aan decoratief tekenen besteedde. Daarnaast vervaardigde hij tekeningen met het doel kinderen op aanschouwelijke wijze de Franse taal bij te brengen, en maakte hij ontwerpen voor o.a. handgeknoopte vloerkleden, kussens en gobelins, alsmede ontwerpen voor toegepaste kunst zoals heraldische wapenschilden, ramen en reklame onderwerpen.

Ook legde hij zich meer dan ooit toe op het illustreren van kinderboeken en week- en maandbladen.

In 1920 werd hij lid en voorzitter van de Schoonheidscommissie van Maastricht, Houthem en Valkenburg. In deze capaciteit waakte hij ervoor dat gebouwen en monumenten van historische waarde werden afgebroken en was hij betrokken bij tal van gelijksoortige zaken. Hier volgen enkele voorbeelden die achterhaald konden worden.

Al vóór 1913 had Graafland fel de plannen aangevallen voor de bouw van het station in Wijck zoals het thans bestaat, ontworpen door ir. G. W. van Heukelom, waardoor de toegang van de andere kant van het spoor naar de stad werd afgesloten. In plaats daarvan pleitte Graafland heftig voor de aanleg van het station zodanig dat Maastricht zich in de richting Scharnerweg zou kunnen uitbreiden. Een minderheid van de raadsleden was het met hem eens en wilde de plannen verwerpen, maar de Spoorwegen reageerden met het volgende ultimatum: als de plannen niet werden geaccepteerd, zou het houten gebouwtje dat toen als station fungeerde niet worden vervangen. Voor dit dreigement zwichtten de raadsleden, volgens Graafland volkomen onterecht daar de Spoorwegen te veel belang hadden bij het optrekken van het nieuwe station. In 1915 was het nieuwe station voltooid. Begin 1960 heeft men deze onhandige plaatsing van het station ongedaan gemaakt door enkele honderden meters terzijde van het station onder de spoorwegovergang aan de Scharnerweg een tunnel te graven die aansluit op de snelweg naar Maastricht. De opening vond plaats in 1963.

Toen het plan van de Rijksbouwmeester ir. Bremer inzake de verbouwing van de oude Maasbrug en de bouw van de nieuwe Maasbrug onthuld werd, was de Schoonheidscommissie er niet mee ingenomen. Op 20 januari 1930 werd Graafland door de "Limburger koerier" gevraagd om zijn opinie hierover te geven. Graafland voldeed aan dit verzoek, maar wilde slechts zijn zijn persoonlijke visie geven en niet zijn visie als woordvoerder van de Schoonheidscommmissie.

Ook oefende hij kritiek uit op de restauratie van de Sint Janstoren. In de "Limburger koerier" van 16 mei 1931 publiceerde hij het artikel "De verminking van een monument". Het "Algemeen Handelsblad" van 24 mei 1931 citeerde een gedeelte hiervan en analyseerde zijn kritiek, waarop de "Limburger koerier" van 2 juni 1931 Graaflands reactie op deze kritiek gaf.

En op 4 januari 1934 verscheen er een artikel van Graafland in de "Limburger koerier" waarin hij zijn advies gaf voor het uitbreidingsplan van Maastricht dat op tafel lag.

Herstel

Op 29 september 1933 verhuisde de familie Graafland van Maastricht naar Vught. Enkele weken later verergerde de depressie van Rob Graafland zodanig dat hij zichzelf door het hoofd schoot. Hij overleefde het maar verloor zijn rechteroog; hij werd in het psychiatrisch ziekenhuis Voorburg te Vught opgenomen. Tot ieders verbazing was hij korte tijd later volkomen genezen. Na een ziekte van veertien jaar kon hij weer schilderen. Maar al was Graafland genezen, hij was niet meer de man die hij vroeger was geweest, zoals hij op 7 september 1935 aan de kunstcriticus Plasschaert schreef. Uiterlijk was hij fysiek en psychisch hersteld, innerlijk daarentegen had de ziekte hem terdege aangegrepen. En als gevolg van het verlies van zijn rechteroog had hij het gevoel voor diepte verloren. Gedurende de volgende jaren legde Graafland zich vooral toe op portretschilderen, daarnaast schilderde hij vele andere onderwerpen, zoals danseressen, bruidjes, naakten, kinderen, moeder en kind, en paarden. Omstreeks die tijd schilderde hij in opdracht van de heer van Beuningen een portret van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina (waarvoor Hare Majesteit niet poseerde) dat na voltooing door de opdrachtgever aan het stadhuis in Vught werd geschonken.

Graafland was thans bijna zestig jaar oud. Zijn eerste tentoonstelling sinds 1922 was een grote tentoonstelling in juli 1935 ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van de stad 's Hertogenbosch. Zijn schilderij "Levensbron" kreeg de eerste prijs. In februari 1936 hield hij in de kunstzalen van huize Statenlaan 71 te Den Haag een tentoonstelling van zesenveertig eigen werken: etsen, aquarellen, tekeningen en olieverven zoals "Levensbron", "Lezende dame op sofa", "Mevrouw Graafland" (een portret van zijn echtgenote) en ruiterportretten. De recensent J. R. beschreef in zijn recensie een van de ruiterportretten (29): "....... het levensgrote, statige en imposante portret van een lid der Koninklijke Nederlandse Jachtvereniging, dat zich ook overigens, door het vlammend rood der kleding, van het andere werk onderscheid". "Levensbron" maakte, evenals op de tentoonstelling in juli het jaar daarvoor, een zeer grote indruk. J. R. vervolgde zijn recensie met: "....... de schilderijen die niets zijn dan een verheerlijking van het leven, een getuigen van de schoonheid van het aardse .......". Enkele maanden later exposeerde Graafland op de Olympiade tentoonstelling te Berlijn met het portret van de Nederlandse ruiter Charles Pahud de Mortanges gezeten op zijn paard Mädel Wie Du, waarvoor hij de Bronzen Medaille ontving. In Januari 1937 hield hij opnieuw een tentoonstelling van eigen werken, ditmaal in de Openbare Leeszalen te 's-Hertogenbosch, en in 1938 nam hij in de Dominicanenkerk te Maastricht deel aan een tentoonstelling ter ere van het 40-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina.

In 1938 gaf Graafland zijn teruggetrokken leven op en de familie Graafland verhuisde naar Den Haag waar zij zich in de Wilhelminastraat 31 vestigde. Een van de schilderijen die daar tot stand kwam was "Stervende Zwaan", een triptiek, ontleend aan het ballet "Het Zwanenmeer" door Tsjaikofski. Helaas is een groot gedeelte van de in Den Haag gecreeërde doeken op 3 maart 1945 tijdens het geallieërde bombardement op Bezuidenhout verloren gegaan. In september 1938 nam Graafland deel aan de tentoonstelling Veertig Jaar Limburgsche Kunst in de Dominicanenkerk te Maastricht; zijn vijf bijdragen waren: "Kinderportret", "Meisje in Chinees kostuum", "Slapend meisje" (een naaktstudie), "De Ring" (een studie) en "Sluierdans". De kritieken waren lovend. Een jaar later, in 1939, ontvluchtte Graafland de drukte van Den Haag en keerde terug naar zijn vroegere woning in Vught. Daar schilderde hij o.a. het portret van zijn vriend Hubert Cuypers, componist, dirigent en organist, die in 1943 ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag dit schilderij als geschenk van het Amsterdamse Concertgebouw mocht ontvangen. Ook werd Graafland in 1939 uitgenodigd voor een tentoonstelling van de Bredasche Kunstkring die zijn allerlaatste tentoonstelling zou zijn.

In Memoriam Robert Graafland

In 1940 begon een kwaadaardige ziekte de lichamelijke krachten van Graafland te ondermijnen, de diagnose was kanker. In korte tijd verzwakte hij zo ernstig dat hij niet meer in staat was zijn doeken op te spannen. maar de drang tot schilderen bleef bestaan. Hendrik de Laat uit 's Hertogenbosch, vriend en medewerker, spande tijdens de laatste weken van Graaflands leven zijn doeken voor hem op. Graaflands laatste werk was de staande gesluierde bruid met een boeket bloemen in haar samengevouwen handen, het was hem niet gegeven dit te voltooien. Aangezien zijn toestand kritiek werd, werd Graafland in het Sint Joseph ziekenhuis te Heerlen opgenomen waar een vriend hem opereerde, de uit deze stad afkomstige chirurg E. Hustinx. Ondanks deze hulp overleed Graafland in de ochtend van zondag 28 april 1940 op de operatietafel. De ter aarde bestelling vond plaats op 1 mei. De kunstschilder Han Jelinger kwam namens de Limburgsche Kunstkring Graafland de laatste eer bewijzen. Hubert Cuypers wijdde treffende woorden aan de nagedachtenis van zijn vriend die hij zo lang, sinds beider studiejaren in Amsterdam, had gekend. De gemeente Maastricht eerde Graafland door een straat naar hem te noemen: Robert Graaflandlaan.

Mathias Kemp, leerling van "De klas Graafland", publiceerde een artikel getiteld "In Memoriam Robert Graafland" (27) waarin hij de talloze verdiensten van Graafland aanstipte. Hij schetste hem achtereenvolgens als:

- Schilder: "Graafland toonde zich evenwel een kunstenaar van ander type [dan Corot en Thijs Maris], minder innig en waarlijk verdroomd wellicht, doch met vlotter bravour, feller virtuositeit en brillanter kleur. Het werk uit deze sfeer is wel het allermooiste en meest persoonlijke dat Graafland ons schonk"

- Leermeester en pedagoog: "....... Graafland mogen we zeker als een der grondleggers [van een Limburgsche School] aanwijzen. Tenminste voor de Maastrichtsche groep daarin ....... De Maastrichtsche sector ontstond in het Stadsteekeninstituut, waaraan Graafland als leeraar M.O. handteekenen en voor de schilderklas verbonden was. 's Zondagsmorgens kwamen daar, gedurende verschillende jaren jongere schilders samen ....... Graafland was onder zijn oudere en jongere leerlingen niet wat men zou kunnen noemen populair, zijn iets Multatuliaansche geest was daarvoor 'n beletsel. Wel werd hij algemeen bewonderd niet alleen om z'n knapheid doch ook om paedagogische kwaliteiten. Dat hij scherp waarnam wat in zijn leerlingen leefde, dit eigene tot ontwikkeling wist te brengen en tot groote activiteit vermocht te prikkelen, zoodat een generatie van schilders ontstond, mogen we hem tot onvergankelijke eer rekenen. Hierdoor neemt hij in de cultuurgeschiedenis van Limburg en de kunstgeschiedenis van Nederland een plaats in"

- Sierkunstenaar, illustrator van katholieke jeugdliteratuur en organisator van kunstleven in ons gewest: "We mogen hem bovendien huldigen als sierkunstenaar en als eerste onder de betere illustratoren van katholieke jeugdliteratuur. Ook als organisator van kunstleven in ons gewest. Graafland kan immers als oprichter van den Limburgsche Kunstkring (waaruit later door splitsing de Kunstenaarsvereeniging "Limburg" ontstond) beschouwd worden. Langen tijd was hij van deze vereeniging de bezielende leider en de domineerende figuur op haar exposities. Zijn invloed was zichtbaar, niet alleen bij zijn directe leerlingen"

Jeff Scheffers, directeur van de Middelbare Kunstnijverheidsschool, vertelde in een toespraak op 17 november 1978 over Graafland (30): "....... Daar komt dan ineens de grote gangmaker en leider, die zorgt voor een grote opbloei in de Schilderkunst van ons gewest, Jhr. Robert Graafland. Hij verzamelde met veel talent en grote kennis van de teken- en schilderkunst, in weinige jaren een enthousiaste kring van leerlingen om zich heen ....... Hij gaat met zijn leerlingen de Maastrichtse School vormen ....... De kunst van Graafland had weer zijn diepere wortels in de school van Barbizon (Rousseau, Diaz, Monticellie). Graafland was in vele opzichten voor de leerlingen de geliefde meester. Zijn karakter, zijn kennis en kunde, en het gemak van het overdragen van kennis, maakten dat hij de bewonderde leraar voor een nieuwe generatie van kunstenaars werd".

De drijfveer van Graaflands schilderkunst

Robert Graafland lichtte tijdens twee exposities de drijfveer van zijn schilderkunst toe.

Op de eerste expositie, in januari 1937 in de Openbare Leeszalen te 's-Hertogenbosch, verklaarde hij in zijn dankwoord (31) op de openingsrede door de burgemeester van 's-Hertogenbosch, baron F. van Lanschot:

"Als ik met mijn werk heb bijgedragen tot vermeerdering van het geluk der mensen en als ik - voorzover een kunstenaar een apostolische roeping heeft, al is het dan wat mij betreft nog zo weinig - iets heb kunnen openbaren van de schoonheid en reinheid van de Goddelijke Schepping, dan is mijn werk niet voor niets geweest."

Op de tweede expositie, in 1938 in de Dominicanenkerk te Maastricht (32), formuleerde hij het ietwat beknopter: "Ik acht mij beloond als mijn kunstwerken mogen bijdragen tot de vermeerdering van het levensgeluk der mensen."

En aan zijn goede vriend en collega Charles Hollman schreef Graafland (33): "Je romantische aard verloochent zich gelukkig niet; want natuurlijk een beetje romantiek hebben wij in deze nuchteren, zakelijken tijd wel zeer noodig. Het spreekt vanzelf dat de tijdsomstandigheden invloed op kunstenaars uitoefenen, maar zeker is dat, hoe zakelijker en nuchterder de levensomstandigheden zijn, het verlangen naar romantiek in de menschen groeit. Romantiek is immers net zoo goed een levensvoorwaarde."

Copyright © Fr Graafland 2020


(1) Limburgsche wapens, Van Aelst, 1925

(2) Encyclopédie Héraldique / Heraldische Encyclopedie, W.P. Van Stockum & Zoon, 1932

(3) C. Pama: Heraldiek en Genealogie, een encyclopedisch vademecum, Het Spectrum (Prisma), 1969

(4) C. Pama: Heraldiek, Het Spectrum (Prisma), 1958

(5) De Limburger, 21 mei 1993

(6) Kunst in Limburg, no. 1, 1919 / 1920

(7) J. B. Deelen, arts: Intervieuw, 1 maart 1937 te Vught

(8) Limburgs Dagblad, 2 november 1956

(9) Pierre Kemp: Proza, 1945

(10) Harry G.M. Prick: Petrus Johannes Kemp, De Engelbewaarder, p. 12, april 1980 / Pim de Vroomen, Verzameld Werk Pierre Kemp, deel III, p. 1368, september 1976

(11) Mathias Kemp: Een leven voor Limburg, 1991

(12) Mathias Kemp: Na de middag, uit: de Bronk, juni 1957, 4e jaargang, no. 10

(13) Notulen van het Stadsteekeninstituut, 30 november 1899 en 26 november 1901

(14) Monique F.A. Dickhaut: Ontmoeting met Rob Graafland, vouwblad voor de gelijknamige expositie in Museum aan het Vrijthof, 1 april t/m 20 juni 2010, p. 3 en p. 6

(15) Mathias Kemp: Een leven voor Limburg, 1991

(16) Fred van Leeuwen: Het schilderen van Pierre Kemp, De Engelbewaarder, p. 123, april 1980 / Mathias Kemp: Voorwoord voor de catalogus van de Tentoonstelling Rob Graafland in het Bonnefantenmuseum te Maastricht, 3 november-25 november 1956

(17)De beschrijving van het interieur is ontleend aan een brief van een latere bewoonster van Villa Aldegonda, 28 mei 1995 / De naam Aldegonda wordt genoemd op p. 23 in Henri Jonas, 1878-1944 : zijn muzen en demonen, door Monique F.A. Dickhaut, 2007

(18) Kunstblad Kunstwerk, maandnummer november / december 1992

(19) NRC Handelsblad, 19 september 1975

(20) Brief aan Suzanna Graafland, 22 november 1962

(21) Email van Bennie Ceulen, 9 april 2019

(22) 28 december 1963

(23) Suzanna Graafland correspondeerde eveneens met Jan Engelman. Haar brieven die zich in het Letterkundig Museum bevinden handelen voornamelijk over Herman Gouwe

(24) Monografie Rob Graafland door Theo Twaalfhoven, Uitgeverij Van Spijk B.V., p. 26 / Alle genoemde tentoonstellingen zijn gedocumenteerd in het Kunsthistorisch Documentatiebureau te Den Haag, uitgezonderd:

Het artikel over de tentoonstelling van de 's Hertogenbossche Kunstkring in de Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche courant van 9 september 1916
Het artikel over de eerste tentoonstelling van de Nederlandsche Kunstkring te 's Gravenhage in De Maasbode van 2 april 1917
Het artikel over "Zien en Zeggen" in De Zuid-Willemsvaart van 16 februari 1918 dat abusievelijk stelt dat twee religieuze onderwijzers de schuilnaam Kloostermans gebruikten
Het artikel in de Limburger koerier van 12 juli 1918 waarin Rob Graafland vermeld wordt als voorzitter van de afdeling Beeldende Kunsten der Sociëteit Momus in Maastricht
Het artikel over de tentoonstelling van de Limburgsche Kunstkring te Maastricht in de Limburger koerier van 19 december 1918

(25) Email van Arti et Amicitiae, 17 augustus 2017

(26) Catalogus Tentoonstelling Rob. Graafland, Bonnefantenmuseum Maastricht, 3 november-25 november 1956

(27) Limburger koerier, 4 mei 1940 / H. J. H. Schurgers: Waar de brede stroom der Maas..., p. 165, mei 1972. Schurgers vergist zich vijf keer. De datum van de oprichting van de Limburgsche Kunstkring was 1910 en niet 1911; de datum van Graaflands verhuizing naar Sint Pieter was 1911 en niet 1908; de datum van Graaflands pensionering was 1919 en niet 1920; Graaflands leeftijd ten tijde van zijn pensionering was 44 jaar en niet 45 jaar; Graafland overleed op de operatietafel en niet na een operatie

(28) Email van Bennie Ceulen, 15 juni 2019

(29) Onbekend dagblad, 8 februari 1936

(30) Toespraak door A.J.J. Scheffers bij de opening tentoonstelling Maastrichtse School georganiseerd door de Heer van Rijn in Maastricht

(31) Het krantenartikel met dit citaat is spoorloos verdwenen. Maar een beschrijving ervan is te vinden in de Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche courant van 15 januari 1937. De recensie van deze tentoonstelling eindigt als volgt: "Jhr. Graafland heeft daarna in eenige woorden dank gebracht, erop wijzend dat hij zich zeer beloond achtte als hij iets heeft kunnen bijdragen tot vermeerdering van het levensgeluk der menschen met zijn kunst, die hij als een apostolische roeping beschouwt."

(32) Toespraak door de burgemeester van Maastricht, mr. Ph. J. I. M. Houben, op de tentoonstelling Rob Graafland op 26 November 1988 in Museum aan het Vrijthof